Op 2 juli deed de Haagse rechtbank uitspraak in een zaak, die justitie had aangespannen tegen een Hagenaar die een pokertoernooi had georganiseerd en daarmee de Wet op de Kansspelen (WOK) overtreden zou hebben. Bij nadere bestudering van de uitspraak zijn er nog een aantal opvallende kanttekeningen te maken. Kansspel of behendigheidsspel, that’s the question!
In mijn artikel van 4 juli* ben ik al ingegaan op wat de uitspraak zou kunnen losmaken in het Nederlandse landschap van de kansspelen, maar ik had ook beloofd de uitspraak voor de geïnteresseerde lezers nog uit te pluizen en daarop terug te komen en bij deze wordt die belofte ingelost. De verdediging was ter hand genomen door de bekende strafpleiter J.P. (Peter) Plasman. Het hele proces draaide om het feit of poker gezien moest worden als een kansspel in de zin van de Wet op de Kansspelen of als een behendigheidsspel, dat buiten het bereik van deze wet zou liggen. Ik zal zo veel mogelijk proberen de juristentaal te vermijden om het voor de lezers draaglijk en leesbaar te houden. Waar dat niet helemaal lukt moet u me dan maar niet kwalijk nemen. Goed, justitie dacht een zeer heldere zaak te hebben, omdat de man volgens het proces verbaal een pokertoernooi had georganiseerd in een gokpand, dat op het moment van de inval in volledig bedrijf was. Het bleek te gaan om een gehuurd zaaltje met een mogelijkheid om wat te eten en te drinken. De deelnemers kenden elkaar voor een deel en voor een deel waren het wat genodigden geweest, een redelijk gesloten circuit dus. De inleg had €15,- per persoon bedragen. De verdachte heeft geen moment ontkend dat het een min of meer open organisatie betrof. De wetgever legt dat uit als ‘gelegenheid geven aan’ en dat was hier het geval. De rechter vond echter dat de omschrijving ‘volledig in bedrijf zijnd gokpand’ zeer subjectief was, gebaseerd op grond van de waarneming van de politieagenten en niet gebaseerd op onderzoek. Dit was op de uitspraak verder niet van invloed.
De officier van justitie verwees in de tenlastelegging naar de wet zelf, een arrest van de Hoge Raad in 1998, een aantal brieven van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer, een onderzoek van het College van toezicht op de kansspelen, en nog wat losse notities van internet o.a. over rechterlijke uitspraken elders in de wereld, met name de Verenigde Staten. De verdediging stelde dat in de wet staat dat een kansspel een spel is, waarbij de deelnemers geen overwegende invloed op de uitkomst van het spel kunnen uitoefenen. Bij de gespeelde pokervariant Texas Hold’em zou dat niet het geval zijn. Beide partijen brachten een onderzoek in van prof. Dr. Ben van der Genugten van de Universiteit van Tilburg. Advocaat Plasman stelde tenslotte dat de behoefte van de Staat om het pokerspel in zijn greep te houden voortkwam vooral was om verslaving en witwaspraktijken te voorkomen. Hij suggereerde dat het pokerspel niet langer was te reguleren op basis van de WOK, maar wellicht als een apart spel zou kunnen worden gereguleerd, daarmee gelijk maar op de stoel van de wetgever gaan zittend.
De rechter besteedde veel aandacht aan de verschillende onderzoeken, die gedaan zijn. De twee leidende documenten daarbij waren van W.A. Wagenaar en dat van Ben van Genugten. De rechter oordeelde dat het onderzoek van Wagenaar veel te subjectief was en in feite elke uitkomst kon geven, die je maar zou willen. Van Genugten daarentegen heeft een model geschapen, waarbij je een factor kunt bepalen, die aan een bepaald spel moet worden toegekend voor de behendigheid. Die factor ligt tussen 0 en 1, waarbij 0 een absoluut kansspel is en 1 een absolute behendigheidssport (je zou als voorbeeld kunnen stellen dat roulette praktisch 0 is en schaken praktisch 1 -JJMV). Om als een kansspel in de zin van de Wet op de Kansspelen te kunnen worden aangemerkt zou er sprake moeten zijn van een factor 0 tot 0,3. Texas Hold’ em ligt daarboven en valt daarmee buiten de kansspeldefinitie, aldus Van Genugten. Hoeveel hoger dan? Dat hangt mede af van de beleving van de spelers, van de aard en structuur van het pokerevenement, zeg maar.
In toelichtingen aan de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie volgens de Haagse rechtbank een aantal zaken door elkaar gehaald. Het is de Tweede Kamer destijds niet opgevallen, maar die zal daar vast nog wel op terugkomen. Zo heeft Hirsch-Ballin in een brief aan de Tweede Kamer het volgende gesteld: “Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of een spel een kansspel of een behendigheidsspel is, bepalend of het resultaat dat de grote meerderheid der spelers in de praktijk bij het spel behaalt van toeval afhangt. In een in 1998 gewezen arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat poker dient te worden aangemerkt als een kansspel.” De rechtbank stelt echter dat de minister de boel door elkaar haalt. Het ‘vaste arrest’ waar hij op doelt is het zogeheten Saturne-arrest uit 1965, waar voor het eerst de definitie opduikt dat een kansspel een spel is waar de deelnemers geen overwegende invloed op uitoefenen. Als de Hoge Raad in 1998 deze definitie zou hebben gevolgd, zou de uitspraak anders zijn geweest. De Hoge Raad heeft zich dus blijkbaar niet gebaseerd op het ‘vaste arrest’ uit 1965. De minister zit hier fout. Maar het wordt op dit punt nog erger als de rechtbank stelt dat het arrest uit 1998 ruimte laat voor andere opvattingen, bijvoorbeeld op basis van verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen over de wijze waarop het spel is georganiseerd.
En de minister zit ook fout door te stellen dat in 35 landen in Europa poker bij wet als een kansspel is gedefinieerd, wat zou blijken uit een onderzoek van het College van Toezicht op de kansspelen. De rechtbank merkt fijntjes op dat hier enige nuancering op z’n plaats is omdat het een enquête betrof onder collega-toezichthouders, waaruit deze conclusie is getrokken. Maar de rechtbank stelt, dat de mate waarin de opvatting dat poker een kansspel is wordt gedragen, niet het bewijs levert van de juistheid van die opvatting.
De rechtbank spreekt dus indirect van een soort historische dwaling. Er wordt weliswaar links en rechts driftig volgehouden dat poker een kansspel is, maar het wordt nergens overtuigend bewezen. De enige onderzoeken, die wel als wetenschappelijk bewijsmateriaal kunnen worden toegelaten, stellen juist het tegendeel.
Er volgt een hoger beroep, maar als de officier dat gaat voeren op basis van de arresten van de Hoge Raad uit 1965 en 1998 staat dit hoger beroep niet erg sterk. Wat me opviel in de verdediging was het ontbreken van het argument dat poker als denksport is erkend door de International Mind Sports Association. Dat werd in mei van dit jaar bekend. Er zijn nog heel wat handen te schudden (pokerwoordspeling) maar het moet toch mogelijk zijn om op nationaal niveau een aanvaardbare regeling voor het poker te treffen, ook belastingtechnisch gezien, zonder dat de rechtbanken er voortdurend aan te pas moeten komen.
We hadden graag de pdf van de uitspraak bij dit artikel gevoegd. Daar zitten echter rechten op, die we niet kunnen en willen schenden. De pdf is verkrijgbaar voor € 5,- op de website van Jure en kan uitsluitend met iDEAL betaald worden. De link naar de bewuste pagina is: http://jure.nl/bn0013.pdf
Deze post staat in de categorie Algemeen Casino Nieuws .






Comments on this entry are closed.