Het krampachtige gambling beleid in Oostenrijk –deel I

Inleiding, strafrecht en dienstenverlening

Opnieuw is er een uitspraak van het Europees Hof van Justitie over een staatsmonopolie op het gebied van kansspelen, in dit geval dat van Oostenrijk. Het betrof zaaknummer C-347/09 en het gaat om een strafzaak tegen twee Oostenrijkse ondernemers, zaakvoerders van bet-at-home.com Entertainment GmbH, gevestigd in Oostenrijk. Een terugblik op hetgeen gepasseerd is en een vooruitblik op de gevolgen van het arrest voor de Oostenrijkse staat en haar kansspelmonopolisten Österreichische Lotterien GmbH en Casino Austria (en zijdelings, voor de rest van de Europese Unie).

Inleiding

bet-at-home.com AG is een Duitse onderneming, gevestigd in Düsseldorf met een dochteronderneming in Oostenrijk, gerund door twee man, Jochen Dickinger en Franz Ömer. Bet-at-home biedt in verschillende landen online kansspelen aan, waartoe het bedrijf een vergunning heeft van de Maltese Lottery and Gaming Association, de LGA. Op Malta is ook een vestiging, waar o.a. de klantenservice is gehuisvest. De zaak, waar het om draait is in augustus 2009 bij het Hof binnengebracht met een verzoek van de Bezirksgericht Linz (Oostenrijk) om licht te scheppen in een aantal duistere zaken. Er kleven een aantal aspecten  aan deze zaak, die het weer net even anders maakt dan eerdere zaken, die een vergelijkbare strekking hadden. De hamvraag is meestal in hoeverre een overheid binnen de EU nog gerechtigd is om het kansspelbeleid naar eigen goeddunken in te richten en daarbij de kansspelen te gunnen aan slechts één of enkele partijen.

In Oostenrijk wordt onderscheid gemaakt tussen loterijen en online kansspelen, een totalisator (Toto), landcasino’s en sportweddenschappen. De federale wet in Oostenrijk, die de kansspelen regelt heet het  Glücksspielgesetz (GSpG), maar sportweddenschappen vallen er niet onder, omdat deze niet als kansspelen worden beschouwd. Online casinospelen zijn met loterijen gelijkgesteld en de wet bepaalt dat alleen de Oostenrijkse staat kansspelen en loterijen mag organiseren. De minister van Financiën is daarbij de baas en hij mag een concessie verlenen aan een derde partij, die aan een aantal voorwaarden moet voldoen en die onder strak toezicht van de staat blijft staan. Overtreding van de GSpG levert een strafbaar feit op, waarop gevangenisstraf kan staan en hoge boetes.

Loterijen en online casino mag alleen worden aangeboden door de eerder genoemde Österreichische Lotterien, die voor het merendeel in handen is van Casino Austria AG, een privaatrechtelijke naamloze vennootschap, waar de staat ongeveer een derde van de aandelen in houdt. bet-at-home.com heeft een aantal divisies, waarvan bet-at-home Entertainment in Oostenrijk een vergunning heeft voor het aanbieden van sportweddenschappen. Er is echter ook een holding opgezet in Malta en vanuit die club worden online casinospelen aangeboden in Oostenrijk op een Maltese vergunning. U raadt het al: de Oostenrijkse staat acht dat strafbaar volgens hun kansspelwet en de heren Dickinger en Ömer stellen dat het Oostenrijkse model niet deugt en strijdig is met Europese spelregels, met name die van de artikelen 49 en 43, die respectievelijk het vrije verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging voorstaan.

Het Bezirksgericht in Linz aarzelt en betwijfelt of de Oostenrijkse regels verenigbaar zijn met het Unierecht, zeker ook gelet op de agressieve reclame die Casinos Austria voor haar kansspelaanbod maakt. Ik zal de vragen van het Oostenrijkse hof kort samenvatten (het is namelijk een flink A4-tje vol). Onderaan dit artikel staat een verwijzing naar de volledige tekst van de uitspraak, voor wie graag het naadje van de kous wil lezen.

De vragen aan het Europees Hof

De eerste vraag gaat over de eisen, die aan een vergunninghouder worden gesteld, met name het noodzakelijke aandelenkapitaal van €109 miljoen (voor landcasino’s €22 miljoen) en dat een vergunninghouder geen filialen buiten Oostenrijk mag oprichten.

De tweede vraag is of een lidstaat die het kansspelbeleid regelt via een monopolie straffen bij overtreding kan opleggen, terwijl in feite art. 49, het vrij verrichten van diensten van toepassing is.

Vraag drie gaat over het toetsingsniveau van een lidstaat of de kansspelautoriteit van dat land. Het is een lange vraag, maar niet relevant in deze zaak gebleken, zoals verderop uit het antwoord zal blijken.

Vraag vier is of een organisatie die in de ontvangende lidstaat is gevestigd op grond van artikel 49 toch gewoon diensten kan verlenen aan een bedrijf dat vanuit een andere lidstaten diensten aanbiedt, ook al worden die in het ontvangende land als onwenselijk beschouwd.

Goed, dat is een mooie mond vol, maar er zit hier een heel fraai aspect aan de zaak, namelijk dat één vraagstelling van de rechter in Linz zo geformuleerd is dat het lijkt dat hij de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning van de Maltese LGA  op een hoger plan inschaalt dan die van de Oostenrijkse regering. Ook suggereert de rechter dat het niveau van het toezicht van de LGA hoger moet worden aangeslagen dan het toezicht van de Oostenrijkse staat. Dat is een interessante case, die prikkelend is ook voor het komende Nederlandse debat, waarbij aan de orde zal komen in hoeverre wij vertrouwen hebben in hetgeen in andere lidstaten is geregeld. Ik ga nu de krenten uit de pap halen voor wat betreft de beantwoording van de rechters.

Strafrecht

De tweede vraag werd als eerste beantwoord. Het mag dan volgens de rechters een gegeven zijn dat lidstaten hun beleid inzake kansspelen zelf mogen inrichten (onder bepaalde voorwaarden) maar een dergelijk beleid blijft op zich strijdig met artikel 49 EG. “Het Unierecht verzet zich ertegen dat een inbreuk op een monopolie voor de exploitatie van kansspelen, strafrechtelijk wordt bestraft indien een dergelijke regeling met dit Unierecht in strijd is.” Dit is wel een aardig gegeven bij de komende discussie in ons land, waar steeds maar weer geroepen wordt dat illegale aanbieders (uiteindelijk) keihard moeten worden aangepakt, maar zo makkelijk is dat dus niet.

Dienstenverlening

De vierde vraag is een heel nuttige gebleken, want het is alweer een jaar of acht geleden dat dit eens ter sprake is geweest. Het aanbod van online casinospelen is niet gedaan door de Oostenrijkse vestiging, maar door Maltese vestigingen met een Maltese licentie. Het is dus deze Maltese vestiging die de klantcontacten met Oostenrijkse spelers legt en onderhoudt. De Oostenrijkse vestiging verleent daarbij wat hand- en spandiensten, maar, zo oordeelt het Hof, dat zijn diensten waar de spelers niet of nauwelijks weet van hebben en daarom vallen die diensten wél gewoon onder de werking van artikel 49. Dat roept bij mij direct de vraag op of de Nederlandse overheid een bank zou kunnen vervolgen, die weigert het betalingsverkeer tussen rekeninghouders en online casino’s te blokkeren.

 

Morgen deel II, over het monopolie zelf en het gevoerde handelsbeleid